Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BD5670

Datum uitspraak2008-05-29
Datum gepubliceerd2008-06-27
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Arnhem
Zaaknummers07/00047
Statusgepubliceerd


Indicatie

Loonbelasting. Reis naar Afrika vormt loon in natura.


Uitspraak

Gerechtshof Arnhem eerste meervoudige belastingkamer nummer 07/00047 U i t s p r a a k op het beroep van X BV te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst P (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende de naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: LB/PVV) over het tijdvak 1 januari 2002 tot en met 31 december 2002 en de daarmee samenhangende boetebeschikking. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1 Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2002 tot en met 31 december 2002 een naheffingsaanslag LB/PVV opgelegd ten bedrage van € 12.858 aan enkelvoudige belasting. Bij beschikking is een vergrijpboete opgelegd van € 3.214. De naheffingsaanslag en boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij de bestreden uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd. 1.2 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 5 januari 2007 ongegrond verklaard. 1.3 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Het beroepschrift is ter griffie ontvangen op 30 januari 2007. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend dat ter griffie is ontvangen op 21 mei 2007. Op 31 maart 2008 is ter griffie een nader stuk van belanghebbende ontvangen waarvan op dezelfde datum een kopie naar de Inspecteur is gezonden. 1.4 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 8 april 2008 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur. De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en een afschrift daarvan overgelegd aan het Hof en belanghebbende. De inhoud van de pleitnota wordt als hier ingelast aangemerkt. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt waarvan een kopie aan deze uitspraak is gehecht. 2. Feiten Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast. 2.1. Belanghebbende is de holding van een concern dat zich met name toelegt op grondaankoop, planontwikkeling en bouwactiviteiten. 2.2. In september 2002 hebben drie directieleden van belanghebbende (hierna: de directieleden) met enkele van haar zakelijke relaties een reis van tien dagen naar Namibië gemaakt. Aan de reis is deelgenomen door: - De algemeen directeur van belanghebbende, - De commercieel directeur van belanghebbende, - De directeur projectontwikkeling van belanghebbende, - Een zelfstandig acquisiteur grondverwerving, - De algemeen directeur van A - De rechterhand van de algemeen directeur van A - De regiodirecteur van B, - Een wethouder van de gemeente C. Aan de reis hebben geen partners deelgenomen. De directieleden hebben voor de reis geen vakantiedagen opgenomen. 2.3. De totale kosten van de reis bedroegen € 64.608. A en B hebben € 3.200 respectievelijk € 5.000 bijgedragen aan de reis. Per saldo is € 56.408 door belanghebbende ten laste van haar resultaat gebracht. 2.4. Het programma van de reis, dat tot de gedingstukken behoort, voerde, na aankomst in Johannesburg, onder meer naar Victoria Falls (bezoek aan de watervallen en helicoptervlucht), het Etosha national Park (onder meer diverse gamedrives), de woestijnstad Swakopmund (bezichtiging stad en onder meer bezoek aan de lagoons van Walvis Baai), het Namib Naukluft Park en de Namib woestijn (onder meer rondvlucht boven de woestijn). 2.5. In 2004/2005 heeft de Inspecteur een boekenonderzoek ingesteld bij belanghebbende, waarvan een rapport is opgemaakt met dagtekening 16 november 2005. Naar aanleiding van dit boekenonderzoek zijn de bestreden naheffingsaanslag LB/PVV en de boete opgelegd. 3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen 3.1 Tussen partijen is in geschil of het door belanghebbende bekostigen van de reis naar Namibië loon in natura vormt voor de directieleden van belanghebbende dan wel als vrije verstrekking onbelast dient te blijven. Tevens is in geschil op wie in dit geval de bewijslast rust. Voorts is in geschil of de boete terecht is opgelegd. 3.2 Tussen partijen is in hoger beroep niet meer in geschil: - dat de directieleden ter zake van de reis naar Zwitserland in 2002 loon in natura hebben genoten; - dat het gedeelte van de boetebeschikking dat op de reis naar Zwitserland betrekking heeft, zijnde € 197, namelijk 25 % van € 790, terecht is opgelegd; - of de Inspecteur al dan niet (tijdig) heeft voldaan aan het motiveringsvereiste van artikel 67k van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; - of het ter zake doet dat belanghebbende nimmer de bedoeling heeft gehad haar directieleden een loonvoordeel te doen toekomen (bewustheidsvereiste). 3.3 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Daaraan is mondeling toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting. 3.4 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vermindering van de naheffingsaanslag naar een bedrag van € 790 alsmede tot vermindering van de boetebeschikking naar een bedrag van € 197. De Inspecteur concludeert tot handhaving van de naheffingsaanslag en de vastgestelde boetebeschikking. 4. Beoordeling van het geschil 4.1. Ingevolge artikel 10 van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet) is loon al hetgeen wordt genoten uit een dienstbetrekking. De door belanghebbende betaalde kosten van de reis van de directieleden vallen in beginsel als loon in natura onder dit loonbegrip. Ingevolge artikel 13 van de Wet wordt dit loon in aanmerking genomen naar de waarde welke daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend, met dien verstande dat voorzover de verwerving van het loon het gebruik of verbruik daarvan meebrengt, de waarde wordt gesteld op ten hoogste het bedrag van de besparing. 4.2. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Wet zijn vrije verstrekkingen: “a. verstrekkingen voorzover zij geacht kunnen worden te strekken tot voorkoming van kosten, lasten en afschrijvingen ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking; b. andere verstrekkingen voorzover zij naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel worden ervaren.” 4.3. Partijen verschillen van mening over de bewijslastverdeling alsmede over de aard van de reis en de daaruit voortvloeiende fiscale kwalificatie daarvan. Belanghebbende voert aan dat de reis was bedoeld om in het kader van relatiemanagement de contacten met de relaties te versterken alsmede om een basis te leggen voor toekomstige transacties. Er is naar haar mening sprake van een vrije verstrekking. Op de Inspecteur rust de bewijslast dat er sprake zou zijn van loon in natura. De Inspecteur is van mening dat een redelijke bewijslastverdeling meebrengt dat belanghebbende aannemelijk maakt dat sprake is van een vrije verstrekking hetgeen zijns inziens niet het geval is. Hij is van mening dat de reis als belast loon in de heffing dient te worden betrokken en wijst daartoe op het toeristische karakter van de reis. 4.4. In beginsel ligt het op de weg van de Inspecteur om, indien hij stelt dat sprake is van loon in natura, deze stelling met feiten te onderbouwen. Naar het oordeel van het Hof is de Inspecteur in die bewijslast geslaagd, aangezien de reis, blijkens het tot de stukken behorende reisprogramma waaruit de tijdsbesteding en het reis- en dagschema blijkt, geen enkel onderdeel bevat dat aanwijsbaar als een zakelijke aangelegenheid kan worden aangemerkt. 4.5. Het is vervolgens aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat de reis desalniettemin niet tot het loon behoort omdat deze als vrije verstrekking is aan te merken. Hiertoe heeft belanghebbende aangevoerd dat gedurende de reis de contacten met de relaties zijn versterkt en over zakelijke aangelegenheden is gesproken, doch belanghebbende heeft dienaangaande geen enkel bewijs bijgebracht. 4.6. Tevens voert belanghebbende aan dat de drie directieleden niet vrij waren in hun keus aan de reis deel te nemen. Zij dienden als gastheren op te treden voor de vijf andere deelnemers die niet bij belanghebbende werkzaam waren, hetgeen de Inspecteur betwist. Belanghebbende verwijst hierbij naar de uitspraak van Hof ’s-Hertogenbosch van 8 april 2002, onder andere gepubliceerd in Vakstudie Nieuws 2002/41.22. Allereerst merkt het Hof op dat de vergelijking met de aangehaalde uitspraak alleen al niet opgaat uit oogpunt van de verhouding gastheer – relaties. Zo traden in deze uitspraak respectievelijk 7 vertegenwoordigers als gastheren op voor 400 relaties in het jaar 1993 en 13 vertegenwoordigers als gastheren voor 433 relaties in het jaar 1995, terwijl in het onderhavige geval belanghebbende de noodzaak van 3 gastheren voor 5 relaties bepleit, welke verhouding te zeer afwijkt van de in de uitspraak aanwezige verhoudingen om de beide situaties vergelijkbaar te achten. Ook overigens is niet aannemelijk geworden dat de drie directieleden zich niet aan de reis konden onttrekken en als gastheren voor de vijf relaties dienden op te treden. 4.7. Daarnaast stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de reis heeft bijgedragen aan het leggen van een basis voor toekomstige transacties. Hiertoe heeft belanghebbende een persbericht van B overgelegd, gedagtekend 11 januari 2007, waarin wordt aangegeven dat B en D overeenstemming hebben bereikt met belanghebbende over uitbreiding van de deelname in drie grondportefeuilles. Tevens heeft belanghebbende bij het hoger beroepschrift een bijlage overgelegd waarin wordt aangegeven dat – onder andere – belanghebbende in maart 2007 een samenwerkingsovereenkomst met de gemeente C heeft gesloten omtrent de ontwikkeling en realisatie van een nieuwe woonwijk te C. In de bij het bericht geplaatste foto wordt namens belanghebbende de heer E getoond en namens de gemeente C wethouder F. De heren E en F hebben niet deelgenomen aan de onderhavige reis. Belanghebbende maakt noch met deze stukken, noch op enige andere wijze, aannemelijk dat er enige relatie bestaat tussen de onderhavige reis en de totstandkoming van genoemde overeenstemming respectievelijk overeenkomst. Daarbij speelt, zoals de Rechtbank ook heeft overwogen, mede een rol dat tussen de reis en de beoogde transacties vijf jaren zijn gelegen. 4.8. Belanghebbende is er niet in geslaagd, gelet op de gemotiveerde betwisting van de Inspecteur, op enigerlei wijze aannemelijk te maken dat de directieleden in opdracht van belanghebbende zijn meegereisd om tijdens de reis de contacten met de overige deelnemers aan te halen en aldus het effect van de reis voor belanghebbende te optimaliseren. Het Hof houdt het ervoor dat de directieleden aan de reis hebben deelgenomen uit het oogpunt van persoonlijke behoeftebevrediging. Dat, zoals belanghebbende heeft aangevoerd, aan de reis geen partners hebben deelgenomen en de directieleden geen vakantiedagen daarvoor hebben opgenomen doet daaraan niet af. 4.9. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het Hof niet overtuigd van de zakelijkheid van de reis. Het Hof is van oordeel dat het voordeel van de reis naar Namibië voor elk van de drie directieleden als loon in natura moet worden aangemerkt, waarvan de waarde moet worden gesteld op de waarde in het economische verkeer van de reis. Tussen partijen is niet in geschil dat in dat geval de gedeeltelijke vrijstelling zoals opgenomen in artikel 42 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 kan worden toegepast, met inachtneming van welke bepaling de onderhavige naheffingsaanslag aan belanghebbende is opgelegd. 4.10. Het gelijk op dit punt is aan de Inspecteur. Boete 4.11. Belanghebbende neemt het standpunt in dat geen boete kan worden opgelegd omdat sprake is van een pleitbaar standpunt. Hiertoe verwijst belanghebbende meer in het bijzonder naar de onder 4.6. genoemde uitspraak van het Hof ’s-Hertogenbosch van 8 april 2002. 4.12. Evenals de Rechtbank volgt het Hof belanghebbende niet in dit standpunt. Uit hetgeen hiervoor onder 4.5 tot en met 4.8 is overwogen volgt dat, in tegenstelling tot de feiten in de aangehaalde casus, niet aannemelijk is geworden dat de drie directieleden als gastheren van de vijf relaties dienden op te treden. Evenmin zijn in tenminste betekenende mate zakelijke motieven dan wel effecten van de reis op toekomstige ontwikkelingen aannemelijk geworden. Gelet op alle omstandigheden van het geval heeft belanghebbende door over de reissom voor zover die betrekking had op de reis van de drie directieleden geen loonbelasting/premie volksverzekeringen in te houden en af te dragen dermate lichtvaardig gehandeld dat het aan haar grove schuld is te wijten dat te weinig belasting is geheven. Het Hof acht de boete, gelet op de ernst van de rechtsschending, de mate van verwijtbaarheid, de doelstelling om door middel van een boete herhaling van dit gedrag te voorkomen en de omvang daarvan - ook in relatie tot het bedrag van de enkelvoudige belasting -, niet te hoog vastgesteld. 4.13. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient het beroep van belanghebbende tegen de boetebeschikking ongegrond te worden verklaard. Ook op dit punt is het gelijk aan de Inspecteur. 5. Proceskosten Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. 6. Beslissing Het Hof, rechtdoende in hoger beroep, bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Aldus gedaan op door mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, voorzitter, mr. J. Lamens en mr. N.E. Haas, raadsheren. De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier. (A. Vellema) (J.Lamens) Bij afwezigheid van de voorzitter is deze uitspraak ondertekend door mr. J. Lamens. Afschriften van de beslissing zijn aangetekend per post verzonden op Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.